Wie slachtoffer wordt van phishing, krijgt van de bank vaak te horen dat er sprake was van “grove nalatigheid” en dat terugbetaling daarom geweigerd wordt. Een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen van 26 mei 2026 maakt duidelijk dat dit standpunt niet zomaar opgaat.
In deze zaak verloren twee hoogbejaarde klanten bijna 50.000 euro na een phishingoproep. De bank weigerde terugbetaling, maar de rechtbank oordeelde dat bij een niet-toegestane betalingstransactie de bank het bedrag in principe onmiddellijk moet terugbetalen, uiterlijk tegen het einde van de eerstvolgende werkdag. De discussie over eventuele grove nalatigheid hoort pas nadien thuis in een bodemprocedure.
De rechtbank baseerde zich op artikel VII.43 WER, dat een zelfstandige en voorlopige terugbetalingsplicht oplegt aan de bank. Alleen wanneer de bank redelijke gronden heeft om fraude door de klant zelf te vermoeden én dit schriftelijk meldt aan de FOD Economie, kan zij de onmiddellijke terugbetaling weigeren. Een louter verwijt van grove nalatigheid volstaat dus niet.
De uitspraak bevestigt het principe: “eerst terugbetalen, daarna pas discussiëren.” Voor slachtoffers van phishing betekent dit dat een kort geding een krachtig middel kan zijn om snel terugbetaling te verkrijgen. Banken kunnen nadien nog altijd in een bodemprocedure proberen aantonen dat de klant aansprakelijk is, maar het procesrisico ligt in eerste instantie bij de bank.
Contact | Advocaten PAESEN-NEYENS-DIRCKX | BreeWilt u dat Advocaten PAESEN-NEYENS-DIRCKX uw juridische zaken behartigt, neem gerust contact op om de mogelijkheden te bespreken. |

